Wonen
wo·nen
Zijn woning hebben, gehuisvest zijn.
wo·ning (de, vrl)
Gebouw dat muren en een dak rondom een binnenruimte heeft. Biedt bescherming tegen milieufactoren.
Wonenwo·nen Zijn woning hebben, gehuisvest zijn. wo·ning (de, vrl) Gebouw dat muren en een dak rondom een binnenruimte heeft. Biedt bescherming tegen milieufactoren. |
|