Badminton - Officiele Spelregels
Nederlandse Badminton Bond
Noot: Deze spelregels zijn exact overgenomen van de website van de Nederlandse Badminton Bond
Definities:
|
Speler |
Iemand die badminton speelt |
|
Partij * |
Een krachtmeting tussen 1 of 2 spelers aan iedere zijde |
|
Partij * |
De 1 of 2 spelers aan één zijde van het net |
|
Enkelspel |
Een partij met één speler aan iedere zijde |
|
Dubbelspel |
Een partij met twee spelers aan iedere zijde |
|
Serveerder |
De partij die mag serveren |
|
Ontvanger |
De partij tegenover de serveerder |
|
Rally |
Een slagenwisseling van één of meer slagen beginnend met de service |
*) Opmerking: Uit de context is duidelijk in welke zin de term 'partij' wordt gebruikt.
Spelregels : Badmintonbaan
1. De baan moet een rechthoek zijn die is uitgezet met 40 mm brede lijnen zoals in figuur A.
2. De lijnen moeten gemakkelijk te onderscheiden zijn en bij voorkeur een witte of gele kleur hebben.
3. Alle lijnen maken deel uit van het gebied dat zij begrenzen.
4. De palen moeten 1.55 m hoog zijn gemeten vanaf de vloer. Zij moeten loodrecht blijven staan wanneer het net is gespannen zoals aangegeven in spelregel 1.10. De palen mogen niet voorbij de zijlijn voor dubbelspel binnen de baan staan. (Dit geldt tot 1 augustus 2004 alleen voor door de IBF gesanctioneerde evenementen.)
5. De palen moeten worden geplaatst op de zijlijnen van de baan voor dubbelspel zoals aangegeven in figuur A, ongeacht of er enkelspel of dubbelspel wordt gespeeld.
6. Het net moet gemaakt zijn van dun koord van een donkere kleur en gelijke dikte met mazen van minimaal 15 mm en maximaal 20 mm in het vierkant.
7. Het net moet 760 mm hoog zijn en tenminste 6.10 m breed.
8. De bovenkant van het net moet zijn gezoomd met een 75 mm brede witte band. Deze band moet over het door de band geregen koord of de staaldraad dubbel geslagen zijn en op het koord of de staaldraad rusten.
9. Het koord of de staaldraad moet stevig gespannen zijn, op gelijke hoogte met de bovenkant van de palen.
10. De bovenkant van het net moet in het midden van de baan 1.524 m en bij de zijlijnen voor dubbelspel 1.55 m boven de vloer hangen.
11. Er mag geen ruimte zijn tussen de zijkant van het net en de palen. Zonodig moet het net over de gehele zijkant aan de palen worden gebonden.
Badmintonshuttle
1. De shuttle kan van natuurlijk materiaal en/of kunststof zijn gemaakt. Ongeacht het materiaal waarvan de shuttle is gemaakt, moeten de vluchteigenschappen in het algemeen gelijk zijn aan die van een shuttle met natuurlijke veertjes en een kurken dop die met een dun lapje leer is overtrokken.
2. De shuttle moet 16 veertjes hebben die in de dop zijn bevestigd.
3. De veertjes van een shuttle moeten een gelijke lengte hebben, gemeten van de top tot aan de bovenkant van de dop. De lengte moet tussen 62 en 70 mm liggen.
4. De toppen van de veertjes moeten een cirkel vormen met een diameter tussen 58 en 68 mm.
5. De veertjes moeten met draad of ander geschikt materiaal stevig zijn vastgemaakt.
6. De dop moet een diameter hebben tussen 25 en 28 mm hebben en moet een bolle onderkant.
7. De shuttle moet een gewicht hebben tussen 4.74 en 5.50 gram.
8. Veren shuttles:
-- Een kelk of nagemaakte veren van kunststof vervangt de natuurlijke veertjes.
-- De dop moet aan de in spelregel - 6 gestelde eisen voldoen.
-- De maten en het gewicht moeten overeenstemmen met spelregel 3, 4 en 7. Gezien het verschil in soortelijk gewicht en andere eigenschappen van kunststoffen in vergelijking met veren, is een afwijking van maximaal 10% toelaatbaar.
9. Op plaatsen waar de atmosferische toestand ten gevolge van hoogte of klimaat de standaardshuttle ongeschikt maakt, mag met goedkeuring van de desbetreffende nationale organisatie, van de bovenstaande omschrijving worden afgeweken, mits er geen afwijking van belang aan het algemeen ontwerp, de snelheid en de vlucht van de shuttle. wordt aangebracht.
Shuttletest
1. De shuttletest moet met een volle onderhandse slag worden uitgevoerd, waarbij de shuttle boven de achterlijn wordt geraakt. De shuttle moet onder een opwaartse hoek evenwijdig aan de zijlijnen worden geslagen.
2. Een shuttle met de juiste snelheid moet tussen 530 mm en 990 mm voor de tegenoverliggende achterlijn neerkomen.
Badmintonracket
De delen van het racket worden hier beschreven:
1. De belangrijkste delen van het racket zijn het handvat, het bespannen oppervlak, het blad, de steel, de hals en het frame.
2. Het handvat is het deel van het racket waarmee de speler het racket vasthoudt.
3. Het bespannen oppervlak is het deel van het racket waarmee de speler de shuttle dient te slaan.
4. Het blad van het racket omringt het bespannen oppervlak.
5. De steel van het racket verbindt het handvat met het blad.
6. De hals van het racket (indien aanwezig) verbindt de steel met het blad.
7. Het frame wordt gevormd door het blad, de hals, de steel en het handvat tezamen.
Het frame van het racket mag niet langer zijn dan 680 mm en niet breder dan 230 mm.
Bespannen oppervlak:
1. Het bespannen oppervlak moet vlak zijn en moet bestaan uit een patroon van gekruiste snaren. De snaren dienen om en om te zijn gevlochten, of te zijn gebonden op de plaatsen waar zij elkaar kruisen. Het patroon van snaren moet zoveel mogelijk gelijkmatig zijn, in het bijzonder moet de bespanning in het midden niet minder dicht zijn dan op andere plaatsen.
2. Het bespannen oppervlak mag niet langer zijn dan 280 mm en niet breder dan 220 mm. De snaren mogen echter doorlopen in het deel dat anders zou worden gevormd door de hals. Deze overloop mag niet breder zijn dan 35 mm en het gehele bespannen oppervlak mag in dit geval niet langer zijn dan 330 mm.
Het racket:
1. mag niet zijn voorzien van aanhangsels of uitsteeksels, met uitzondering van die welke uitsluitend tot doel hebben slijtage en trilling te beperken of te voorkomen, het gewicht gelijkmatig te verdelen, of het handvat van het racket d.m.v. een koord aan de hand van de speler te bevestigen. De grootte en positie van de aanhangsels of uitsteeksels moeten in overeenstemming zijn met hun functie.
2. mag niet zijn voorzien van middelen waarmee een speler de vorm van het racket wezenlijk kan veranderen.
Toss, Speelhelft, Service
Toss
Voordat het spel begint moet er getost worden. De winnaar van de toss moet kiezen uit de mogelijkheden:
1. eerst serveren of eerst ontvangen.
2. aan de ene dan wel aan de andere kant van het net beginnen.
De verliezer van de toss maakt vervolgens de overgebleven keuze.
Speelhelft
Spelers moeten van speelhelft wisselen
1. na afloop van de eerste game.
2. voor het begin van de derde game (indien deze wordt gespeeld).
Bij een correcte service:
1. mag geen der partijen het slaan van de service onnodig vertragen, zodra serveerder en ontvanger hun posities hebben ingenomen
2. moeten de serveerder en de ontvanger binnen schuin tegenover elkaar liggende serveervakken staan, zonder de grenslijnen van de serveervakken te raken.
3. moet enig deel van beide voeten van de serveerder en de ontvanger in stilstaande positie in contact met de vloer blijven vanaf het begin van de service totdat de service is geslagen.
4. moet het racket van de serveerder eerst de dop van de shuttle raken.
5. moet de shuttle zich geheel onder het middel van de serveerder bevinden op het moment dat hij door het racket van de serveerder wordt geraakt.
6. moet op het moment dat de shuttle wordt geraakt het racket van de serveerder zodanig naar beneden wijzen dat het gehele blad van het racket zich waarneembaar onder de gehele hand bevindt waarmee de serveerder het racket vasthoudt.
7. moet de beweging van het racket van de serveerder ononderbroken voorwaarts zijn na het begin van de service (zie spelregel 9.4) totdat de service is geslagen.
8. moet de shuttle het racket van de serveerder in een opwaartse vlucht verlaten en vervolgens over het net gaan zodat hij, wanneer hij niet wordt teruggeslagen, in het serveervak van de ontvanger valt (d.w.z. op of binnen de grenslijnen)
9. Het is een fout indien de serveerder de shuttle misslaat wanneer hij probeert te serveren
10. Zodra de spelers hun posities hebben ingenomen, bepaalt het begin van de voorwaartse beweging van het racketblad van de serveerder het begin van de service.
De serveerder mag niet serveren voordat de ontvanger klaar is. De ontvanger wordt geacht klaar te zijn geweest indien hij probeert de service terug te slaan.
11. Nadat de service is begonnen, is de service geslagen zodra de shuttle door het racket van de serveerder wordt geraakt of de serveerder de shuttle misslaat bij een poging om te serveren.
12. In het dubbelspel mogen de partners van de serveerder en de onvanger gaan staan waar zij willen, zolang zij de serveerder of ontvanger aan de andere zijde het uitzicht niet belemmeren.
Serveervakken
1. De service moet vanuit het rechter serveervak worden geslagen, respectievelijk in het rechter serveervak worden ontvangen, als de serveerder geen of een even aantal punten heeft gescoord in de game.
2. De service moet vanuit het linker serveervak worden geslagen, respectievelijk in het linker serveervak worden ontvangen, als de serveerder een oneven aantal punten heeft gescoord in de game.
De shuttle wordt beurtelings door de serveerder en de ontvanger geslagen totdat een fout wordt gemaakt of totdat de shuttle niet langer in spel is.
Scoren en serveren
Als de ontvanger een fout maakt, of als de shuttle niet langer in spel is omdat deze binnen de speelhelft van de ontvanger de vloer raakt, scoort de serveerder een punt. De serveerder serveert dan opnieuw, echter vanuit het andere serveervak.
Als de serveerder een fout maakt, of als de shuttle niet langer in spel is omdat deze binnen de speelhelft van de serveerder de vloer raakt, verliest de serveerder het recht van serveren. De ontvanger wordt dan de nieuwe serveerder waarbij geen van de spelers een punt scoort.
Dubbelspel
1. Aan het begin van een game en telkens wanneer een partij het recht van serveren terugkrijgt, moet de service vanuit het rechter serveervak worden geslagen.
2. Alleen de ontvanger mag de service terugslaan; mocht de shuttle worden geraakt of geslagen door diens partner, dan is dat een fout en scoort de serverende partij een punt.
3. Volgorde van spelen en positie op de baan:
Nadat de service is teruggeslagen, wordt de shuttle beurtelings door ??n van de spelers van de serverende partij en ??n van de spelers van de ontvangende partij geslagen totdat de shuttle niet langer in spel is.
Nadat de service is teruggeslagen, mag een speler de shuttle terugslaan vanaf elke willekeurige positie aan zijn zijde van het net.
4. Serveervakken:
De speler die aan het begin van een game serveert moet serveren respectievelijk ontvangen in het rechter serveervak, als zijn partij geen of een even aantal punten heeft gescoord in de game, en in het linker serveervak, als zijn partij een oneven aantal punten heeft gescoord in de game.
De speler die aan het begin van een game de service ontvangt moet ontvangen respectievelijk serveren in het rechter serveervak als zijn partij geen of een even aantal punten heeft gescoord in de game, en in het linker serveervak, als zijn partij een oneven aantal punten heeft gescoord in de game.
Op de partners is het omgekeerde van toepassing.
Als de ontvangende partij een fout maakt, of als de shuttle niet langer in spel is omdat deze binnen de speelhelft van de ontvangende partij de vloer raakt, scoort de serverende partij een punt, en serveert de serveerder opnieuw.
Als de serverende partij een fout maakt, of als de shuttle niet langer in spel is, omdat deze binnen de speelhelft van de serverende partij de vloer raakt, verliest de serveerder het recht van serveren waarbij geen van de partijen een punt scoort.
6. Bij elke servicebeurt moet de service beurtelings vanuit elk serveervak worden geslagen, behalve in gevallen waar spelregel 12 of 14 van toepassing is.
7. Het recht van serveren in een game gaat over van de speler die het eerst serveert naar de speler die het eerst ontvangt, dan naar diens partner, dan naar de tegenstander die vanuit het rechter serveervak moet serveren (spelregel 11.5), dan naar diens partner, enzovoorts.
8. Een speler mag niet voor zijn beurt serveren of ontvangen of in dezelfde game twee opeenvolgende services ontvangen, behalve wanneer spelregel 12 of 14 van toepassing is.
9. De partij die een game wint mag bepalen wie van de beide spelers van die partij in de volgende game eerst serveert; evenzo mag de verliezende partij bepalen wie van de beide spelers van die partij in de volgende game eerst ontvangt.
Opstellingsvergissingen
1. Een speler maakt een opstellingsvergissing als hij:
1. voor zijn beurt heeft geserveerd.
2. vanuit het verkeerde serveervak heeft geserveerd.
3. staande in het verkeerde serveervak gereed was de service te ontvangen en deze is geslagen.
2. Indien een opstellingsvergissing wordt ontdekt voordat de volgende service is geslagen.
1. moet een let worden gespeeld als één van beide partijen een vergissing heeft gemaakt en deze partij de rally heeft gewonnen.
2. moet een let worden gespeeld als één van beide partijen een vergissing heeft gemaakt en deze partij de rally heeft gewonnen.
3. moet een let worden gespeeld als beide partijen een vergissing hebben gemaakt.
3. Indien een let wordt gespeeld als gevolg van een opstellingsvergissing, wordt de rally overgespeeld waarbij tevens de opstellingsvergissing wordt gecorrigeerd.
4. Indien een opstellingsvergissing wordt ontdekt nadat de volgende service is geslagen, wordt de opstellingsvergissing niet gecorrigeerd.
5. Indien een opstellingsvergissing niet wordt gecorrigeerd, moet het spel in die game voortgaan zonder de positie van de spelers (noch, indien van toepassing, de nieuwe volgorde van serveren) te wijzigen.
Fouten
Het is een fout:
1. als de service niet goed wordt uitgevoerd.
2. als tijdens het spel de shuttle:
1. buiten de lijnen van de baan valt (d.w.z. niet op of binnen de lijnen)
2. door het net gaat of onder het net doorgaat.
3. het net niet passeert.
4. het plafond of de muren raakt.
5. het lichaam of de kleding van een speler raakt.
6. iets of iemand anders raakt buiten de onmiddellijke omgeving van de baan; (Waar dit nodig is vanwege de bouw van een hal, mag de lokale organisatie onder het recht van veto van de nationale organisatie een regeling treffen voor het geval een shuttle een obstakel raakt.
3. als de shuttle tijdens het spel wordt geslagen voordat enig deel ervan het net kruist naar de zijde van degene die moet terugslaan. (Deze laatste mag de shuttle echter met het racket over het net volgen tijdens het uitvoeren van de slag.
4. Als, tijdens het spel, een speler.
1. het net of de palen raakt met zijn lichaam, kleding of racket.
2. boven het net met racket of lichaam binnen de speelhelft van zijn tegenstander komt.
3. onder het net met racket of lichaam op zodanige wijze binnen de speelhelft van zijn tegenstander komt, dat deze wordt gehinderd of afgeleid.
4. ten opzichte van zijn tegenstander obstructie pleegt, d.w.z. zijn tegenstander verhindert een goede slag te maken waarbij deze de shuttle over het net volgt.
5. Als tijdens het spel een speler zijn tegenstander opzettelijk afleidt bijvoorbeeld door roepen of het maken van gebaren.
6. Als tijdens het spel de shuttle.
1. wordt opgevangen en vastgehouden op het racket en daarna bij het uitvoeren van de slag wordt teruggeslingerd.
2. twee maal achtereenvolgens door dezelfde speler met twee slagen wordt geraakt.
3. achtereenvolgens door een speler en diens partner wordt geslagen.
4. het racket van een speler raakt en zijn vlucht in achterwaartse richting vervolgt.
7. als een speler zich schuldig maakt aan ernstige, herhaaldelijke of aanhoudende overtredingen zoals bedoeld in spelregel 16.
8. als bij het serveren de shuttle op het net terechtkomt en daarop blijft steken of na over het net te zijn gegaan daarin blijft steken.
Let
1. Een let mag worden gegeven door de scheidsrechter of, indien zonder scheidsrechter wordt gespeeld, door een speler om het spel te onderbreken.
2. Een let mag worden gegeven voor elke onvoorziene of toevallige gebeurtenis.
3. Als een shuttle op het net terechtkomt en daarop blijft steken of na over het net te zijn gegaan daarin blijft steken, is dit een let behalve bij het serveren.
4. Als bij het serveren zowel de serveerder als de ontvanger beiden worden bestraft is dit een let.
5. Als de serveerder serveert voordat de ontvanger klaar is, is dit een let.
6. Als tijdens het spel de shuttle uiteenvalt en de dop geheel losraakt van de rest van de shuttle, is dit een let.
7. Als een lijnrechter het uitzicht wordt belemmerd en de scheidsrechter niet in staat is een beslissing te nemen is dit een let.
8. Een let kan optreden na een opstellingsvergissing.
9. In geval van een let wordt het spel vanaf de laatste service geneutraliseerd en moet de speler die het laatst serveerde opnieuw serveren, behalve wanneer spelregel 12 van toepassing is.
Shuttle niet in spel.
Een shuttle is niet in spel als:
1. de shuttle het net raakt en daarin of daarop blijft steken.
2. de shuttle het net of een paal raakt en vervolgens aan de zijde van de partij die de shuttle het laatst heeft geslagen naar beneden valt.
3. de shuttle de vloer van de baan raakt.
4. een fout of een let is opgetreden.
Ononderbroken spel, wangedrag en straffen.
1. Er moet ononderbroken worden gespeeld vanaf de eerste service totdat de partij is afgelopen, behalve in de in spelregel 16.2 en 16.3 genoemde gevallen.
2. Een pauze van maximaal 90 seconden tussen de eerste en de tweede game en van maximaal vijf minuten tussen de tweede en derde game is toegestaan in alle partijen. (Bij partijen op televisie kan de Referee v??r de partij beslissen dat pauzes zoals in spelregel 16.2 verplicht zijn en een vaste tijdsduur hebben.)
3. Onderbreking van het spel
1. Wanneer omstandigheden buiten de macht van de spelers dit noodzakelijk maken, mag de scheidsrechter het spel zolang onderbreken als hij noodzakelijk acht.
2. Onder speciale omstandigheden mag de Referee de scheidsrechter opdragen het spel te onderbreken.
3. Als het spel wordt onderbroken, blijft de stand van dat moment gehandhaafd en moet het spel bij die stand worden hervat.
4. Onder geen voorwaarde mag het spel worden opgehouden teneinde een speler in staat te stellen zijn krachten te herstellen of op adem te komen.
5. Coaching en het verlaten van de baan.
1. Behalve tijdens een pauze zoals bedoeld in spelregel 16.2 en 16.3 mag een speler tijdens een partij geen aanwijzingen ontvangen.
2. Behalve tijdens de vijf minuten pauze zoals bedoeld in spelregel 16.2 mag een speler tijdens een partij de baan niet verlaten zonder toestemming van de scheidsrechter.
6. De scheidsrechter is de enige die beslist of er sprake is van vertragen van het spel.
7. Het is een speler verboden.
1. opzettelijk een vertraging of onderbreking in het spel te veroorzaken.
2. opzettelijk de shuttle te veranderen of te beschadigen teneinde de snelheid of de vlucht van de shuttle te beinvloeden.
3. zich aanstootgevend te gedragen.
4. zich te misdragen op een wijze die niet anderszins in de Spelregels van Badminton is omschreven.
8. De scheidsrechter moet een overtreding van spelregel 16.4, 16.5 of 16.7 als volgt bestraffen.
1. hij waarschuwt de partij in overtreding.
2. hij geeft de partij in overtreding een fout, indien deze reeds eerder werd gewaarschuwd.
3. in geval van een ernstige overtreding of bij aanhoudende overtredingen geeft hij de partij in overtreding een fout en meldt het gebeurde onmiddellijk aan de Referee, die gerechtigd is de partij in overtreding voor de partij te diskwalificeren.
Wedstrijdfunctionarissen en beroep.
1. De Referee heeft de algehele controle over het toernooi of evenement waarvan een partij deel uit maakt.
2. De scheidsrechter, indien deze is aangesteld, heeft de controle over de partij, de baan en de onmiddellijke omgeving daarvan. De scheidsrechter is verantwoording schuldig aan de Referee.
3. De servicerechter moet de door de serveerder gemaakte servicefouten aangeven, als deze zich voordoen.
4. Een lijnrechter moet aangeven of een shuttle "in" of "uit" valt voor de lijn(en) waarvoor hij is aangesteld.
5. De beslissing van een wedstrijdfunctionaris is bindend voor alle feitelijke beslissingen waarvoor de functionaris verantwoordelijk is.
6. Een scheidsrechter moet:
1. toezien op de juiste toepassing van de spelregels en in het bijzonder "fout" of "let" roepen in voorkomende gevallen.
2. een beslissing nemen bij ieder protest omtrent een geschilpunt, mits wordt geappelleerd voordat de volgende service is geslagen.
3. erop toezien dat spelers en toeschouwers op de hoogte blijven van het verloop van de partij.
4. in overleg met de Referee lijnrechters of een servicerechter aanstellen of vervangen.
5. zorg dragen voor de uitvoering van de taken van andere wedstrijdfunctionarissen indien deze niet zijn aangesteld.
6. indien een aangestelde functionaris het uitzicht wordt belemmerd, diens taak overnemen of een let laten spelen.
7. alles wat tijdens een partij betrekking heeft op spelregel 16 vastleggen en melden aan de Referee.
8. een beroep tegen zijn interpretatie van de spelregels aan de Referee voorleggen. (Een dergelijk beroep is alleen mogelijk voordat de volgende service is geslagen, of bij het einde van een partij, voordat de in beroep gaande partij de baan heeft verlaten.
