Klimmen
klim·men, klom, h, i geklommen 1 zich met handen en voeten vastklemmen en omhoogwerken 2 (ve plant) zich omhoogwerken
Klimmenklim·men, klom, h, i geklommen 1 zich met handen en voeten vastklemmen en omhoogwerken 2 (ve plant) zich omhoogwerken |
|