Voetbaltaal

Leestijd6 minuten

Voetbaltaal

Van aanjager tot zwabberbal

Knijpende backs die een vleugelspeler laat lopen omdat ie stijf links is, spelers die gaten trekken, schoten die droog zijn en spitsen die droog staan. Het zijn allemaal zinnen uit de wereld van het voetbal. Het zijn voorbeelden van het idioom van de voetballer, de coach, de liefhebber en de verslaggever. Eigenlijk ontkomt geen enkele Nederlander aan deze voetbaltaal. Het voetbal is alom vertegenwoordigd en daarmee ook het jargon dat erbij hoort. Maar dat wil niet zeggen dat het ook voor iedereen een begrijpelijke taal is. Want stiften, snijden en schoffelen betekenen op het voetbalveld iets heel anders dan in de klas, in de keuken of in de tuin. En als Louis van Gaal het over kansen en mogelijkheden heeft dan zijn dat twee verschillende dingen terwijl in de Van Dale deze woorden volledig synoniem zijn.


 

Waarin verschilt de voetbaltaal van de algemene taal? Wat zijn de kenmerkende eigenschappen van deze taal en hoe kunnen die eigenschappen verklaard worden? Om een antwoord op deze vragen te vinden heb ik een lijst samengesteld van zo’n 400 voetbalwoorden en uitdrukkingen. Hiermee ben ik op zoek gegaan naar opvallende kenmerken van de voetbaltaal.

Vaktaal of jargon

Dat voetbaltaal zich onderscheidt van de algemene taal mag duidelijk zijn. Maar wat voor taal is het nou eigenlijk? Moeten we spreken over een vaktaal of over jargon? Om een onderscheid te kunnen maken, moet gekeken worden naar de sociale functie ervan. Iedere taal heeft een verbindend en een scheidend element. Een dialect bijvoorbeeld verbindt de sprekers met elkaar. Mensen die eenzelfde dialect spreken zoeken elkaar bijvoorbeeld sneller op tijdens een vakantie of op een feestje. Daarnaast geeft het een grens aan naar groepen die het dialect niet spreken. Ook de voetbaltaal verbindt de voetballers, de verslaggevers en de liefhebbers met elkaar en tegelijkertijd geeft de taal een duidelijke grens aan naar de leek op voetbalgebied.


 

Een vaktaal is een taalsoort die naar de buitenwereld zeer gesloten is. Deze is vooral zeer naar binnen gericht. Twee chirurgen zullen het met elkaar hebben over een operatie in hun specifieke vaktaal maar naar de patiënt toe zullen ze heel andere woorden gebruiken. Jargon is daarentegen veel opener naar de buitenwereld. Deze taal wordt gesproken tegen mensen die niet tot de groep behoren. Het is een vaktaal die gebruikt wordt voor buitenstaanders. Zo zal een leraar op een ouderavond vaak jargon gebruiken omdat hij een vader en moeder moet inlichten over het wereldje waar zij zelf geen deel van uitmaken.

Ook voetbaltaal is in de meeste gevallen jargon. Commentatoren en presentatoren zijn constant bezig om de buitenstaanders te informeren. De taal is dus open naar de buitenwereld. In enkele gevallen is er nog sprake van vaktaal. Een selecte groep van profvoetballers en profcoaches gebruiken woorden die alleen binnen hun eigen groep gebruikt worden. In dat geval is de voetbaltaal veel meer naar binnen gericht. Uiteindelijk zullen ook deze woorden bij het jargon gaan horen omdat er tegenwoordig enorm veel media-aandacht is en tal van specifieke woorden worden steeds vaker door deskundigen gebruikt in voor- en nabeschouwingen.

Handelingswerkwoorden als geschikte woordsoort


 

Gelet op de woordsoorten die voorkomen in de lijst met voetbalwoorden, valt op dat er ontzettend veel werkwoorden bij zitten. Natuurlijk zijn in de algemene taal de werkwoorden ook ruim vertegenwoordigd maar in de voetbaltaal komen ze in verhouding nog meer voor. De verklaring hiervoor ligt voor de hand. Voetbal is een sport en bij een sport staan handelingen centraal. Er zijn veel werkwoorden nodig om al die handelingen een naam te geven. De werkwoorden in de lijst zijn dan ook bijna allemaal handelingswerkwoorden. En dat zijn er nogal wat. Iemand die denkt dat een voetballer een bal alleen kan trappen en aannemen, zal verbaasd staan. Een speler kan een bal afleggen, bezorgen, controleren, drukken enz. enz. Van A tot Z staat de lijst vol met handelingswerkwoorden.

De werkwoorden zijn ruim vertegenwoordigd in het voetbaljargon. Binnen die groep van werkwoorden is een speciaal soort werkwoorden ruim vertegenwoordigd, namelijk de samengestelde werkwoorden die gevormd worden door een voorzetsel en werkwoord. Zo kan een speler de bal indraaien, inknikken en inpassen. Hij kan bij zijn medespeler bijsluiten en de tegenstander uitkappen. Dat deze samengestelde werkwoorden veel voorkomen is logisch. Tijdens het spel is een voetballer natuurlijk constant bezig met de plaats waar de bal naar toe gaat, de plaats waar zijn tegenstander naar toe gaat en de richting die hij zelf op gaat. Om die plaatsen en richtingen te kunnen benoemen, zijn er natuurlijk voorzetsels nodig.

Naast werkwoorden komen er ook veel zelfstandige naamwoorden voor in het woordenboek van de voetballer. Ze zijn zelfs het meest vertegenwoordigd. Maar dat is op zich niet anders dan in het gewone Nederlands. In die grote groep zelfstandige naamwoorden zijn er wel dingen te ontdekken die typisch zijn voor het voetbal. Zo zijn er vrij veel nieuwe woorden ontstaan door een zelfstandig naamwoord te koppelen aan een eigennaam. In de voetballerij spreekt men bijvoorbeeld van een Ling-swing (een passeerbeweging die zeer gracieus werd uitgevoerd door Tscheu la Ling) en een Branco-trap (een vrije trap met de buitenkant van de voet tegen het ventiel van de bal). Meestal worden de namen van voetballers gebruikt om dit soort woorden te vormen maar een enkele keer is dat niet het geval. Bij feyenoord wordt spierpijn ook wel Bram-pijn genoemd. Deze pijn is vernoemd naar conditietrainer Bram Wassenaar. Dit soort woorden is echter geen lang leven beschoren. Vier jaar geleden, tijdens het EK in Nederland, wist iedereen wat de Bosveld-shuffle was. Vandaag de dag is het woord geheel verdwenen.

Ellipsen

In het Nederlands worden de meeste nieuwe woorden gevormd door samenstellingen (Radiostation), afleidingen (dankbaarheid) en leenwoorden (chip). Manieren die minder vaak voorkomen zijn: samentrekkingen (boedel wordt boel), verkortingen (accumulator wordt accu), verbasteringen (paddestoel wordt paddo), letterwoorden (HAVO) en klanknabootsingen (ploffen). Van al deze manieren om een nieuw woord te maken, zijn in de voetbaltaal voorbeelden te vinden. Natuurlijk is het aantal samenstellingen, net als in de algemene taal, erg groot. Het is echter opvallend dat het aantal leenwoorden in de voetbaltaal erg groot is en het aantal afleidingen erg klein.

Een soort samenstelling dat in de voetballerij veel voorkomt, is de ellips. Een ellips is een samenstelling die is verkort omdat er een deel is weggevallen. In het gewone Nederlands komt deze soms voor. Voorbeelden zijn bessen(jenever) of beroeps(militair). Bij voetballers komt de ellips veel vaker voor. Een scheidsrechter wordt in het veld meestal scheids genoemd. De spelers die niet in de basis(elftal) staan, zitten op de bank in plaats van op de reservebank. En op de (gras)mat bevindt zich de (midden)stip. Een mogelijke reden voor het veelvuldig gebruik van ellipsen is de snelheid van het spel. Een voetballer die snel en efficiënt moet handelen, zal in zijn taalgebruik ook snel en efficiënt zijn. Als hij op een beslissend moment de aandacht van de scheidsrechter wil hebben dan zal hij sneller scheids roepen dan scheidsrechter. In het commentaar op radio en televisie is vaak een ander soort ellips te horen, namelijk de elliptische zin. In het sportjargon is deze verkorte zin typerend, zoals in ”Van Aerle……uit!”.

Offside wordt buitenspel

Niet alleen ellipsen zijn opvallend in de voetbaltaal, ook de leenwoorden vormen een bijzondere categorie. In het algemene Nederlands zijn tegenwoordig bijna alle nieuwe leenwoorden afkomstig uit het Engels. In het voetballersjargon is de diversiteit veel groter. Er zijn woorden afkomstig uit het Duits (schwalbe), het Italiaans (catenaccio), natuurlijk het Engels (inswinger), het Vlaams (alterneren) en heel opmerkelijk uit het Surinaams (panna en bosa). Bij de Surinaamse woorden valt op dat zij niet in de voetbaltaal terechtkomen via het profvoetbal maar via de sluiproute van het straatvoetbal waarna ze enige tijd later door de media worden opgepikt. Het gebruik maken van woorden uit een andere taal gebeurt soms op een bijzondere manier. Het woord aansluitingstreffer kwam in eerste instantie niet voor. Het Duitse anschlußtor was veel gebruikelijker. Later vernederlandste het woord tot anschlußtreffer en nu is aansluitingstreffer het meest gangbaar. Een ander opvallend facet bij het gebruik van leenwoorden is de afname van Engelse woorden in de voetbaltaal. Vroeger sprak men over offside, penalty, corner en kicksen. Tegenwoordig spreekt men vaker over buitenspel, strafschop, hoekschop en voetbalschoenen. Deze ontwikkeling is vooral opvallend omdat in de algemene taal het Engels juist veel terrein wint.

Waarom Leenwoorden in de voetbaltaal een Nederlands synoniem krijgen, is moeilijk te verklaren. Misschien dat de media daarvoor verantwoordelijk zijn. Een commentator zal tijdens zijn verslag van een wedstrijd proberen om zijn commentaar zo levendig mogelijk te maken. Het gebruik maken van synoniemen helpt hem daarbij. Een andere mogelijke reden kan chauvinisme zijn. De voetbalwereld staat bol van het chauvinisme en het vernederlandsen van leenwoorden zou een uitingsvorm daarvan kunnen zijn. De oorzaak van het vernederlandsen is in ieder geval niet duidelijk maar het is wel duidelijk dat de voetbaltaal volop in ontwikkeling is. Voetbaltaal is dynamisch en er valt veel in te ontdekken net als in het voetbal zelf.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *